De Gasometer

Techniek

De Gasometer in Oberhausen is een zogenaamde schijfgasreservoir. Hij functioneert volgens een principe, dat in 1915 door de Firma MAN Gustavsburg ontwikkeld is: Het gas, dat moest worden opgeslagen, werd van onder in de binnenruimte geblazen en werd op een andere plaats weer verwijderd. De 24-hoekige constructie toont 24 dubbele-T-balken, waaronder 8,80 meter lange, 0,81 meter hoge en vijf millimeter dikke laag platen waren geklonken.

Ze sluiten de Gasometer gasdicht af zorgen voor zijn horizontale stabiliteit. Op het gas zweefde de gasdrukschijf, die naar opgeslagen hoeveelheid aan de oliegesmeerde wanden op en neer gleed. Was de Gasometer compleet gevuld, dan bevond de schijf zich op 95 meter hoogte. 347 000 kubieke meter gas was dan opgeslagen. Vandaag de dag nog is deze maximale vulhoogte in het bovenste deel van de gasometer goed herkenbaar. Omdat het eigen gewicht van de schijf niet voldoende was het gas genoeg te verdichten en de benodigde gasdruk voor de 300 millimeter waterkolommen te bereiken, waren op de schijf aanvullend betongewichten aangebracht. Het totale gewicht van de schijf groeide zo van 600 ton naar 1207 ton.

Tegenwoordig ligt de gasdrukschijf vast, de meeste betongewichten zijn verwijderd. Maar al tijdens werktijden kon de schijf betreden worden, omdat het gas luchtdicht onder de schijf opgesloten was. De ondoorlaatbaarheid aan de rand van de schijf werd door een olie-teermengsel gerealiseerd, dat permanent langs de wanden van de Gasometer liep. Op de bodem werd het opgevangen, van vuiligheid en condenswater gereinigd en buiten weer naar boven gepompt. De opgedroogde resten bedekken vandaag de dag nog de binnenwanden van de Gasometer als beschermende laag.